Ontslagvergoeding (transitievergoeding)

Recht op transitievergoeding
Het recht op transitievergoeding ontstaat wanneer de arbeidsovereenkomst 24 maanden of langer heeft geduurd. Daarnaast dient de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever opgezegd te zijn, ontbonden te zijn of niet aansluitend voortgezet te zijn.

Indien de werknemer op eigen initiatief de arbeidsovereenkomst beëindigt, kan ook recht op de transitievergoeding bestaan. Daarvoor is het noodzakelijk dat de werkgever ernstig verwijtbaar of nalatig heeft gehandeld.

Het recht op de transitievergoeding is niet afhankelijk van de ontslagprocedure, zowel na toestemming van het UWV als na ontbinding door de kantonrechter is de transitievergoeding verschuldigd.

 

De hoogte van de transitievergoeding
De hoogte van de transitievergoeding is als volgt opgebouwd:
• per gewerkt jaar een derde deel (1/3) van het loon voor de eerste 10 jaren van het dienstverband verschuldigd;
• bij meer dan 10 dienstjaren per gewerkt jaar de helft van een maandloon;
• De transitievergoeding is – in de wet vastgelegd – maximaal een bedrag van € 77.000 (per 1 januari 2017). Of een jaarsalaris als dit hoger is dan € 77.000.

 

Uitzonderingen- algemeen
De wet schrijft een aantal uitzonderingen voor op de verplichting tot het betalen van de transitievergoeding. De uitzonderingen hebben betrekking op de werknemer of op de werkgever. Een werknemer heeft geen recht op de transitievergoeding wanneer de werknemer jonger is dan 18 jaar, de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of ernstig verwijtbaar of nalatig heeft gehandeld.

 

Een werkgever is geen transitievergoeding verschuldigd wanneer de werkgever failliet gaat of in surseance van betaling verkeert. Of wanneer de wettelijke schuldsanering op de werkgever van toepassing is. Indien de werkgever in financiële problemen verkeert op het moment dat de transitievergoeding moet worden betaald, dan mag een betalingsregeling van maximaal zes maanden afgesproken worden.

 

Tijdelijke regelingen
De tijdelijke uitzonderingen hebben invloed op de berekening van de hoogte van de transitievergoeding. Deze uitzonderingen hebben betrekking op twee groepen:
1. Werknemers die de leeftijd van 50 jaar of ouder hebben bereikt. Zij hebben recht op een hogere transitievergoeding; en
2. Kleine werkgevers (minder dan 25 werknemers) die in een slechte financiële situatie verkeren. Zij hoeven minder transitievergoeding te betalen.

Deze uitzonderingen gelden tot 1 januari 2020.

 

Verrekenen met transitievergoeding
De werkgever mag een aantal – door de wet bepaalde – kosten verrekenen met de transitievergoeding. De kosten die verrekend mogen worden zijn kosten in verband met transitie naar een nieuwe baan en inzetbaarheid.

Transitiekosten zijn kosten die gemaakt zijn in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of het niet voortzetten daarvan, zodat de werknemer niet of niet langdurig werkloos is na het ontslag. De kosten dienen wel gemaakt te zijn ter voorkoming van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid. De inzetbaarheidskosten zijn kosten die zijn gemaakt in verband met een bredere inzetbaarheid binnen het bedrijf van de werkgever. De kosten dienen wel gemaakt te zijn ter voorkoming van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid.