OR SPECIAL MEI 2016

Unger van Els advocaten biedt u jaarlijks een or-special van onze nieuwsbrief aan. Deze keer behandelen wij daarin de volgende onderwerpen:

  • OR en pensioenregeling,
  • een interessante uitspraak van de Ondernemingskamer over adviesrecht en transitievergoeding,
  • positie van de OR bij insolventie van de onderneming.

Klik hier om eerdere nieuwsbrieven te lezen.

OR en pensioenregeling

Het instemmingsrecht van de OR met betrekking tot een pensioenregeling heeft nu betrekking op:

  • Vaststelling, wijziging of intrekking van een pensioenregeling ondergebracht bij een verzekeraar;
  • Vaststelling of intrekking (geen wijziging!) van een pensioenregeling ondergebracht bij een ondernemingspensioenfonds of bij en niet verplicht bedrijfstakpensioenfonds;
  • Vaststelling of intrekking (geen wijziging!) van een vrijwillig extra onderdeel van een pensioenregeling ondergebracht bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds.

Een en ander is geregeld in artikel 27 WOR (lid 1 sub a en lid 7).

Het kabinet heeft  ̶  in navolging van een advies van de SER  ̶  geconstateerd dat zich hier een lacune voordoet. Namelijk, als een wijziging  van een pensioenregeling ondergebracht bij een ondernemingspensioenfonds of bij een niet verplicht bedrijfstakpensioenfonds etc. aan de orde is. Want daarvoor hoeft nu geen instemming aan de  OR te worden gevraagd. Bijvoorbeeld overgang van een middelloon regeling naar een (ongunstiger) beschikbare premieregeling bij een ondernemingspensioenfonds is nu mogelijk zonder medezeggenschap van de OR. Bij de Tweede Kamer is daarom een wetsvoorstel aanhangig om het instemmingsrecht van de OR wat betreft de arbeidsvoorwaarde pensioen uit te breiden naar alle soorten regelingen met betrekking tot een pensioenovereenkomst, ongeacht de soort pensioenuitvoerder. Het woord “pensioenverzekering” in artikel 27 lid 1 sub a wordt daarom gewijzigd in “regelingen met betrekking tot een pensioenovereenkomst”.

Uitzondering hierop is de pensioenregeling ondergebracht bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds  (voor het deel van de pensioenovereenkomst dat verplicht door het bedrijfstakpensioenfonds wordt uitgevoerd). Dat is logisch, want bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds gaat het om regelingen die zijn afgesproken door cao-partijen. De OR heeft geen instemmingsrecht over een onderwerp uit de opsomming in artikel 27 lid 1 WOR als dit al geregeld is in een cao. Dit is bepaald in artikel 27 lid 3. De pensioenovereenkomst ondergebracht bij een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds zal daarin expliciet, als uitzondering op het instemmingsrecht, worden toegevoegd.

Verder komt er een nieuw lid 7 van artikel 27 WOR om te verduidelijken dat niet alleen de pensioenregeling zelf, maar ook elementen in de uitvoeringsovereenkomst (tussen de werkgever en de  pensioenuitvoerder) instemmingsplichtig kunnen zijn. Het moet dan gaan om zaken die van invloed zijn op de pensioenovereenkomst (d.w.z. op de arbeidsvoorwaarde pensioen). Voorbeelden zijn de keuze van een pensioenuitvoerder (zoals welke verzekeraar?) en een regeling van de wijze waarop de premie wordt vastgesteld (zoals de regeling van de premieverdeling tussen werkgever en werknemers).

Tot slot zal het informatierecht van de OR worden uitgebreid met een verplichting voor de ondernemer om de OR zo spoedig mogelijk schriftelijk te informeren over een voorgenomen vaststelling, wijziging of intrekking van de uitvoeringsovereenkomst (nieuw artikel 31f WOR). Als de OR dan vindt dat het een wijziging betreft die van invloed is op de arbeidsvoorwaarde pensioen, kan hij het instemmingsrecht claimen.
Het kabinet streeft ernaar om deze wijziging van de WOR in te voeren per 1 juli 2016.

cartoon mei 2016Een interessante uitspraak van de Ondernemingskamer over adviesrecht en transitievergoeding[1]

De uitspraak is interessant omdat een aantal aspecten de revue passeren, nl. de redelijkheid van een hogere vergoeding dan de transitievergoeding in het sociaal plan, verantwoordelijkheden van bestuurder en OR en de motiveringsplicht bij een besluit in afwijking van het advies van de OR.

Wat ging aan de zaak vooraf?
De Koninklijke Fabriek Inventum B.V. (hierna: KFI) ontwikkelt en verkoopt interieurproducten voor vliegtuigcabines, waaronder ovens en waterkokers. In 2011 is na advisering door de ondernemingsraad van KFI (hierna: de OR) besloten de assemblage-activiteiten naar de Filipijnen te verplaatsen. Destijds is een sociaal plan overeengekomen met een op de kantonrechtersformule gebaseerde beëindigingsvergoeding ( met correctiefactor 1,5). Dit sociaal plan liep op 31 december 2013 af.

Adviesaanvraag
Als kostenbesparende maatregel heeft KFI de OR in maart 2015 om advies gevraagd over het voorgenomen besluit om de spare parts business unit eveneens naar de Filipijnen te verplaatsen en de Europese leveranciers te lokaliseren naar Low Cost Countries. Als gevolg van het besluit worden 17 functies overbodig, waarvan 6 medewerkers in vaste dienst. KFI stuurt de OR in juni 2015 een uitgeschreven ontslagregeling met daarin een beëindigingsvergoeding conform de kantonrechtersformule met correctiefactor 0,8.

Concept advies
De OR acht de voorgenomen reorganisatie onontkoombaar en bedrijfseconomisch logisch. In het concept advies stelt de OR pas akkoord te gaan als er een sociaal plan komt met de vakorganisaties.

Definitief advies en besluit
KFI treedt in overleg met de vakbonden, maar er wordt geen overeenstemming bereikt over een ontslagregeling. KFI informeert de OR hierover en de OR adviseert negatief. Reden hiervoor is (onder meer) dat KFI de onderhandelingen met de vakbond lager heeft ingezet dan de ontslagregeling die aan de OR is gerepresenteerd. Dit terwijl de OR dat bod al te laag vond. KFI besluit conform zijn voornemen met de motivering dat er een eerlijk en waardig pakket is neergezet voor de werknemers die worden geraakt door het besluit. Neerkomend op een transitievergoeding x 1,35 plus vergoeding van outplacement- en advocaatkosten.

OR vecht besluit aan
Bij de Ondernemingskamer stelt de OR dat in het besluit onvoldoende gemotiveerd is waarom is afgeweken van het advies. . De OR verzoekt onder meer te bepalen dat KFI het besluit moet intrekken en pas een nieuw besluit kan nemen nadat een sociaal plan tot stand is gekomen.

Oordeel Ondernemingskamer
De getroffen voorziening (transitievergoeding x 1,35) is substantieel hoger dan de wettelijke transitievergoeding, waardoor niet op voorhand gezegd kan worden dat het besluit kennelijk onredelijk is, aldus de Ondernemingskamer. Zelfs niet nu de onderneming gezond is.
De samenhang van het huidige besluit met het verplaatsingsbesluit van 2011 maakt niet dat eenzelfde voorziening moet worden getroffen als in het sociaal plan van 2011.

KFI heeft echter geen consistente mededelingen gedaan aan de OR tijdens het adviestraject. Nu KFI de onderhandelingen met de vakbond anders is ingegaan dan gepresenteerd in de ontslagregeling, heeft zij de OR op het verkeerde been gezet. Dit is aan KFI toe te rekenen, vanwege het uitgangspunt dat op de bestuurder de primaire verantwoordelijkheid rust voor een goed verloop van het medezeggenschapstraject.
KFI had moeten motiveren waarom zij zich niet (langer) geroepen voelde aan de betrokken werknemers een ontslagregeling aan te beiden die overeenstemt met de regeling die aan de OR was voorgehouden. Het besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd.
De verzoeken van de OR worden toegewezen, met uitzondering van het verzoek dat KFI pas opnieuw kan besluiten over de personele gevolgen van de reorganisatie nadat een sociaal plan tot stand is gekomen. KFI kan de personele gevolgen immers ook regelen zonder overeenstemming met de vakbond.

_________________________

[1] Uitspraak van 12 januari 2016, niet op rechtspraak.nl gepubliceerd. Verzoeken om een kopie kunt u richten aan: Muriël Nolet, nolet@ungervanels.nl

Positie OR bij financieel zwaar weer (insoleventie)

De laatste tijd bestaat meer aandacht voor de positie van de ondernemingsraad bij ondernemingen met ernstige betalingsproblemen. Deze situatie  wordt meestal aangeduid met insolventie. Insolventie van een onderneming kan zich in Nederland in twee vormen voordoen: surseance (van betaling) of faillissement.

Wat zijn de belangrijkste aandachtspunten voor een OR?  Welke misverstanden bestaan over de rechten van de OR?

In vogelvlucht enkele belangrijke onderwerpen:

  1. Op grond van een uitspraak van de Hoge Raad uit 2001 is de heersende leer dat de OR geen adviesrecht heeft over de aanvraag tot faillietverklaring, wanneer deze door de ondernemer zelf wordt ingediend. In de literatuur is kritiek op dit oordeel gegeven, omdat het om een besluit van de ondernemer zelf gaat.
  2. Met betrekking tot een verzoek tot faillietverklaring van de onderneming door een externe schuldeiser geldt ook geen adviesrecht voor de OR. Dit omdat het besluit niet door de eigen onderneming wordt genomen.
  3. Ook wordt op grond van de rechtspraak aangenomen dat een verzoek om surséance van betaling te verlenen niet valt onder de adviesplichtige aangelegenheden van artikel 25 WOR.
  4. Tijdens surseance en na faillissement blijven medezeggenschapsrechten op grond van WOR, WMCO en SER-fusiegedragsregels in stand.
  5. Tijdens faillissement kan de curator op grond van de Faillissementswet relatief eenvoudig tot ontslag van werknemers overgaan. De meeste curatoren gaan er vanuit dat tijdens faillissement de opzegverboden (wegens ziekte of OR-lidmaatschap) niet van toepassing zijn.
  6. Bij een ‘gewone’ reorganisatie is, ook als surséance of faillissement dreigt, het  adviesrecht van de OR onverminderd van kracht. Hetzelfde geldt voor het recht op informatie en de verplichting van de ondernemer om tenminste twee keer per jaar de OR te informeren over algemene gang van zaken van de onderneming.
  7. Op het ogenblik is in de Tweede Kamer de Wet continuïteit ondernemingen I in behandeling. In het wetsvoorstel wordt een wettelijke grondslag geboden voor de praktijk van “pre-pack”. Onder pre-pack wordt verstaan dat de rechtbank, kort voor een verwachte/geplande faillietverklaring van de onderneming, op verzoek van de bestuurder al bepaalt wie in geval van faillissement tot curator zal worden benoemd. In de praktijk leidt dit soms tot een snelle doorstart van de failliete onderneming naar een nieuw bedrijf, waarbij de bescherming van de rechten van de werknemers, in het bijzonder de ontslagbescherming, terzijde wordt geschoven.
  8. De SER heeft recent een handzame brochure opgesteld. In deze brochure zijn de insolventieprocedures en de toepasselijke medezeggenschapsrechten in kaart gebracht. Zie https://www.ser.nl/nl/themas/or-en-medezeggenschap/or-faillissement.aspx .

Voor specifieke vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met ons kantoor.

Laatste plaatsen seminar!
Op woensdag 25 mei vanaf 15.30 uur houden wij ons jaarlijkse seminar over actualiteiten medezeggenschap, in ROC TOP (direct achter onze kantoorlocatie).
Wilt u zich nog aanmelden, stuur dan uiterlijk 18 mei a.s. een mail naar schuiten@ungervanels.nl

Meer weten? Bel of mail ons voor een service-advies.

Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.